Nee, de radicale LGBTQIA+beweging en het LGBTQIA+activisme zijn niet ontstaan op 28 juni 1969 in Greenwich Village tijdens de Stonewall riots. De impact van de Stonewall riots op het queeractivisme tot op vandaag valt absoluut niet te ontkennen. Maar daarvoor was er al een activistische LGBTQIA+beweging die vaak wordt vergeten. In Duitsland is tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en in het begin van de 20e eeuw een radicale queerbeweging ontstaan die vaak wordt vergeten.
En ook al behaalde deze beweging in die periode niet veel overwinningen, ze zou wel een cruciale rol spelen en veel belangrijk werk verrichten. En het is op hun nalatenschap en hun verwezenlijkingen dat de militante LGBTQIA+beweging van eind jaren 1960 en begin jaren 1970 is gebouwd.
Maar deze beweging werd tot stilstand gebracht en bijna volledig vernietigd door het fascisme tijdens de jaren 1930 en 1940. Vele van de betrokken activisten zouden sterven in nazi-martelkamers of concentratiekampen. En hun nalatenschap werd voor lange tijd vergeten.
Karl Heinrich Ulrichs
Tussen begin jaren 1860 en eind jaren 1870 was Karl Heinrich Ulrichs de eerste persoon die LGBTQIA+ personen publiekelijk erkende als een onderdrukte minderheid en stelde dat activisme tegen de discriminatie die LGBTQIA+personen dagelijks ervaren noodzakelijk was.
Hij was overtuigd van de noodzaak om over duidelijke termen te beschikken om over LGBTQIA+personen en -onderwerpen te spreken in plaats van vage beschrijvingen. Hij schreef over wat hij beschreef als het “derde geslacht”, iets wat we tegenwoordig non-binair of genderqueer noemen.
Ulrichs was één van de eerste schrijvers die het bestaan van vrouwelijke homoseksualiteit erkende, wat in die tijd als zeer controversieel werd beschouwd, zelfs onder zogenaamde specialisten.
In die tijd reisde Ulrichs door Europa om clandestiene bijeenkomsten te organiseren om te praten over LGBTQIA+fobie en hoe te strijden tegen de onderdrukking in een poging personen te mobiliseren om zelf actie te gaan voeren, want zijn belangrijkste focus lag nog steeds op activisme. Hij zou één of meer van die bijeenkomsten in België (waarschijnlijk Brussel) organiseren en daar spreken.
Maar ondanks zijn pogingen om te mobiliseren en de vele clandestiene bijeenkomsten die hij in heel Europa organiseerde, was Ulrichs nooit in staat om een echte beweging op te bouwen.
Ulrichs is nu misschien vergeten, maar hij was in werkelijkheid de grondlegger van de moderne LGBTQIA+beweging. Hij was een directe invloed op Magnus Hirschfeld.
Paragraaf 175
Magnus Hirschfeld startte zijn activisme tegen de achtergrond van toenemende vervolging van LGBTQIA+personen in Duitsland. Na de Duitse hereniging in 1871 werden de wetten “paragraaf 175” en “paragraaf 175b” ingevoerd.
Deze wetten verboden homoseksualiteit en homoseksueel sekswerk, maar deze wetten verboden duidelijk personen om transgender of gender non-conform te zijn. Hoewel homoseksualiteit tussen cisgender vrouwen niet strikt verboden was volgens deze wetten, werd “paragraaf 175” ook gebruikt om lesbische vrouwen te vervolgen en op te sluiten.
Vóór 1871 bestonden er al soortgelijke wetten, maar deze nieuwe wetten waren het resultaat van het ontstaan van het nieuwe Duitse keizerrijk en in veel opzichten waren deze wetten strenger.
Volgens de Duitse regering was het toenemende aantal gearresteerde LGBTQIA+ personen in Duitsland het directe resultaat en de schuld van de slechte invloed van de Franse cultuur, want, zo zeiden ze “voor de Frans-Duitse oorlog waren er geen homoseksuelen in het Duitse keizerrijk”.
Vanaf 1880 was er zelfs een politie-eenheid in Berlijn die zich alleen richtte op het arresteren van LGBTQIA+personen, officieel “de afdeling van homoseksuelen” genoemd. Zij waren één van de eersten die het woord homoseksueel gebruikten.
Dat politiekorps begon mug shots te gebruiken om het eenvoudiger te maken om voormalige gearresteerde LGBTQIA+personen op straat te herkennen om ze te volgen en in de val te lokken.
Veel mensen uit de werkende klasse werden tot sekswerk gedreven als direct gevolg van hun dagelijkse leefomstandigheden en de economische situatie.
Hirschfeld en het Instituut voor Seksuologie
Hoewel Magnus Hirschfeld zelf homoseksueel was, was het vooral tijdens zijn eerste ervaringen als arts en psycholoog in het begin van de jaren 1890, toen veel van zijn eerste patiënten al LGBTQIA+personen waren, dat hij de grotere context van de juridische en sociale discriminatie van LGBTQIA+personen begon te begrijpen.
In 1897 vormde hij het Wetenschappelijk Humanitair Comité (Wissenschaftlich-humanitäres Komitee), voor de juridische hervorming van paragraaf 175. Hun motto was “door wetenschap naar gerechtigheid”, waaruit al duidelijk Hirschfeld’s benadering van LGBTQIA+ onderwerpen blijkt.
De belangrijkste doelen van de WHK waren activisme, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het geven van publieke voorlichting, maar deze doelen stonden niet los van elkaar. Deze acties waren met elkaar verbonden.
Hoewel zijn eerste artikels zich uitsluitrend richtten op homoseksuele en lesbische personen, begon hij al snel meer aandacht te besteden aan transgender en gender non-conforme personen. In zijn baanbrekende boek “Die Transvestiten” nuanceerde hij Ulrichs’ idee van het bestaan van een zogenaamd “discreet derde gender”. Hirschfeld was ervan overtuigd dat de theorie van een derde gender te beperkt was en Hirschfeld was er eerder van overtuigd dat gender een spectrum was en dat er meerdere (of vele) genderidentiteiten bestaan. Verder was hij er van overtuigd dat gender niet zo rigide is als werd (en nog steeds vaak wordt) aangenomen, maar dat er zoveel diversiteit bestaat die we moeten omarmen. Verder maakte Hirschfeld een onderscheid tussen biologisch geslacht en gender.
Taalgebruik en begrippen zijn sindsdien geëvolueerd. Als Hirschfeld het begrip “travestieten” gebruikt had hij het meestal over trans* personen.
En hij zou een onderscheid maken tussen seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Veel van die concepten klinken tegenwoordig misschien heel aannemelijk, maar toen Hirschfeld deze tussen 1897 en 1914 publiceerde, werden die ideeën beschouwd als radicaal, baanbrekend, schokkend en het maakte hem zeker nog meer tot vijand van de conservatieve seksuologen, sociologen, psychologen en de overheid dan hij al was.
In 1919 richtte hij samen met andere psychologen, artsen en activisten in Berlijn het “Institut für Sexualwissenschaft” (Instituut voor Seksuele Wetenschap) op, dat medische en psychologische begeleiding zou bieden bij een reeks seksuele kwesties, voornamelijk voor maar niet alleen voor LGBTQIA+ personen. Een ander belangrijk doel van het instituut was duidelijk en gedetailleerd wetenschappelijk onderzoek.
Er waren een archief, bibliotheek en museum om mensen te onderwijzen over LGBTQIA+ onderwerpen. Jaarlijks bezochten meer dan 3500 personen het museum, een museum dat bezocht zou worden door personen van over de hele wereld. Er werden conferenties georganiseerd zoals zijn internationale congres over homoseksualiteit (of eigenlijk over LGBTQIA+ onderwerpen in het algemeen).
Maar het werk aan het instituut en de lezingen die Hirschfeld en zijn collega’s in andere Duitse steden organiseerden, werden regelmatig met geweld verstoord door de SA, het Freikorps of andere extreemrechtse groeperingen.
Hirschfeld bood in zijn instituut langdurig onderdak aan veel transgender- en non-binaire personen vanwege de dagelijkse discriminatie, het geweld en de onderdrukking waar ze mee te maken hadden. Voor hen was het instituut een safe space waar ze binnen de muren een zekere veiligheid vonden die ze nergens anders konden vinden.
Het instituut gaf zogenaamde “travestietenpassen” (transvestitenschein) uit aan transgender personen en gender non-conforme personen. Door middel van deze passen werden zij erkend als patiënten van het instituut. Dit was een poging hen te beschermen tegen politiegeweld.
In 1919 bracht het instituut “Anders als die Anderen” uit, de eerste film over homoseksualiteit.
Tussen 1898 en 1914 zou de uitgeverij die Hirschfelds boeken uitgaf, Spohr Verlag, meer dan 100 pamfletten en boeken over LGBTQIA+thema’s uitgeven van verschillende schrijvers ter verdediging van LGBTQIA+personen.
Hirschfeld was zeker niet de enige die onderzoek deed naar dit onderwerp, maar hij zou een directe inspiratie zijn voor bijna iedereen.
Hoewel Hirschfeld een cruciale rol heeft gespeeld in deze beweging is het belangrijk om te begrijpen dat zijn verwezenlijkingen nooit individuele verdiensten waren maar het collectieve resultaat van zijn instituut, de WHK en een hele reeks van activisten en queerpersonen waarvan de meeste namen helaas verloren zijn gegaan doorheen de geschiedenis.
Hoewel de Duitse vooroorlogse queerbeweging beweging vrij klein bleef, was er wel degelijk een LGBTQIA+beweging ontstaan die in meerdere landen invloed zou hebben. En zo kunnen we dit beschouwen als de allereerste echte LGBTQIA+beweging. Dit was een beweging die bestond die gebruik maakte van wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, activisme op straat, eigen tijdschriften, kranten en een literaire beweging. In beperkte mate was er de steun van de socialistische-, anarchistische- en feministische bewegingen. Zo was er ook de steun van internationale organisaties en organisaties die direct geïnspireerd waren door het queeractivisme in Duitsland. Er werden banden opbouwend met de bolsjewieken in de Sovjet Unie (totdat LGBTQIA+personen weer werden vervolgd door de komst van het Stalinisme).
LGBTQIA+activisme en solidariteit
In 1898 won Hirschfeld de steun van August Bebel, die lid was van de Duitse Sociaaldemocratische Partij. Bebel zou zich uitspreken voor het afschaffen van paragraaf 175.
Een andere vroege sympathisant van de WHK was Karl Kautsky. En in 1919 zouden Babel en Karl Kautsky de petitie ondertekenen die door Hirschfeld was gestart om paragraaf 175 ongedaan te maken. Deze petitie werd ook ondertekend door Hermann Hesse, Thomas Mann, Stefan Zweig, Rainer Maria Rilke,…
Hirschfeld en zijn instituut creëerden een link en een samenwerking met de Sovjet-Unie na de Russische Revolutie en de Sovjet Unie zou hun eigen instituut oprichten, gebaseerd op dat van Hirschfeld.

Link met de feministische beweging
Theordora Anna Sprüngli (ook gekend onder de naam Anna Rüling) wordt gezien als de eerste lesbische activiste. In 1904 was zij de eerste die de lesbische emancipatie ter sprake bracht binnen de feministische beweging en om binnen de feministische beweging te strijden voor een link tussen de feministische beweging en de queerbeweging. Hoewel er heel wat lesbische vrouwen actief waren binnen de feministische beweging werd dit onthaald als een schok. Zij zou dit thema ter sprake brengen tijdens de vergaderingen van het WHK.
Door zijn activisme en zijn publicaties had Magnus Hirschfeld banden met Clara Zetkin en Alexandra Kollontaï. Met Zetkin besprak hij het verband tussen de feministische beweging en de beweging voor de emancipatie van LGBTQIA+ personen, en hij was het eens over de noodzaak van een socialistisch karakter van deze beweging. Want Hirschfeld was een socialist, ook al zou hij nooit officieel lid worden van een partij.
Hirschfeld begreep de noodzaak om een sterke solidariteit op te bouwen tussen de LGBTQIA+beweging en de feministische strijd, daarom zou hij naast het bespreken hiervan met Zetkin nauwe banden opbouwen met Helene Stöcker, die medeoprichtster was van de Liga voor de bescherming van moeders en seksuele hervorming (Bund für mutterschutz und sexuelle Reform), een feministische organisatie die zou strijden voor vrouwenrechten in het algemeen, maar met als belangrijkste actie de strijd voor de legalisering van abortus.
De masculinisten
Een andere LGBTQIA+beweging in Duitsland in die tijd waren de zogenaamde “masculinisten”, een groep machomannen die de mythes rond de Griekse homoseksualiteit uit de oudheid idealiseerden, een groep die nu terecht in de vergetelheid is geraakt omdat ze antisemitisch, seksistisch, transfoob en nationalistisch waren. Ze waren zelfverklaarde vijanden van Hirschfeld en zijn ideeën. Helaas hadden ze veel invloed. Deze groep zou later fuseren met de NSDAP.
Vervolging onder het Nazisme
De nazi’s noemden Hirschfeld “de gevaarlijkste Duitser”. In die tijd werd homoseksualiteit wel spottend “Duitse liefde” of “de Duitse ziekte” genoemd als een direct gevolg van het werk van Magnus Hirschfeld en zijn instituut.
Al snel nadat de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen, begonnen ze boeken te verbieden die ze als “on-Duits” beschouwden, waaronder het hele oeuvre van Magnus Hirschfeld en alle boeken over LGBTQIA+onderwerpen. De boeken van Hirschfeld behoorden zelfs tot de eerste die verboden werden.
Op 6 mei 1933 vernietigden de nazi’s het hele instituut…. En maakten er een publiek spektakel van. Ze brachten een fanfare mee die vrolijke melodieën speelde, en de menigte die toekeek (van ongeveer 200 aanwezigen) kon drankjes en snacks kopen terwijl het gebeurde.
Dit was het begin van een veel gruwelijkere fase in de vervolging van LGBTQIA+personen door de nazi’s en vanaf dat moment zouden veel LGBTQIA+personen gedeporteerd worden naar concentratiekampen.
De vernietiging van het instituut en de vervolging van zijn medewerkers kwam helemaal niet als een verrassing, maar het gebeurde veel sneller dan ook maar iemand had verwacht. Als gevolg hiervan ging de hele bibliotheek en het archief met onderzoek van het instituut verloren, het levenswerk van Hirschfeld en vele anderen.
Hirschfeld zou een paar maanden later in ballingschap in Frankrijk overlijden. Ten tijde van de vernietiging was hij buiten Duitsland op een wereldtournee om te praten en te waarschuwen voor de gevaren van het fascisme en de noodzaak om een beweging uit te bouwen. Maar veel van zijn medewerkers zouden sterven in nazi-martelkamers of concentratiekampen.
Maar niet alleen Hirschfeld’s instituut en het WHK waren het doelwit van nazistische LGBTQIA+fobe vervolging. Een maand na de vernietiging van het instituut arresteerden de nazi’s vele andere LGBTQIA+ activisten of politici en militanten die de LGBTQIA+beweging openlijk hadden gesteund en stuurden ze naar concentratiekampen.
Een ander voorbeeld is de Eldorado club, een beroemde LGBTQIA+ club in Berlijn, die werd vernietigd door de Gestapo en later werd gebruikt door de propaganda-afdeling van de NSDAP als een duidelijk statement tegenover LGBTQIA+personen.
Tot 1934 was de vervolging van LGBTQIA+personen een zaak van de politie. Vanaf dat moment vormde de Gestapo een nieuwe eenheid “Speciaal Bureau II S” die zich alleen zou richten op de vervolging van LGBTQIA+ personen en personen die een abortus hadden ondergaan. En ze veranderden de wet zodat bewijs vanaf dat moment niet meer nodig was.
Meer dan 160.000 homoseksuele mannen en transgender personen zouden naar concentratiekampen en gevangenissen worden gestuurd. En degenen die overleefden, werden nog steeds vervolgd door de Duitse regering. Helaas zijn er geen betrouwbare cijfers over het aantal lesbische vrouwen dat naar concentratiekampen is gestuurd.
Tot 1937 droegen ze de rode driehoek (” asociale elementen”), daarna droegen ze de roze driehoek en vanaf 1938 werd de roze driehoek 3 keer zo groot in afmetingen als de andere driehoeken om LGBTQIA+personen duidelijk te markeren.
Tussen 1933 en 1945 zouden LGBTQIA+personen een rol spelen in het verzet tegen het fascisme in Duitsland. In Straatsburg was er een verzetsorganisatie die uitsluitend bestond uit LGBTQIA+jongeren.
Het lot van LGBTQIA+personen in Duitsland tijdens het nazisme is altijd buiten de geschiedenis gehouden. Het duurde ongeveer 70 jaar voordat ze officieel als slachtoffers werden erkend. Zoals we hebben gezien was de beweging die de LGBTQIA+activisten tussen 1860 en 1933 in Duitsland hebben opgebouwd veel kleiner dan de beweging zou worden in het begin van de jaren 1970, of in de jaren 1980 of vandaag het geval is. We mogen niet vergeten dat de omstandigheden waarin ze alles deden om een beweging op te bouwen extreem complex en gevaarlijk waren. Maar ook al was die beweging geen massabeweging, we mogen het indrukwekkende en belangrijke werk niet vergeten dat ze onder die omstandigheden hebben kunnen verwezenlijken.
Maar ook mogen we de noodzaak om onszelf te organiseren en het belang van de strijd tegen extreemrechts niet vergeten. In een maatschappij waar de populariteit van extreemrechts toeneemt zullen de aanvallen op LGBTQIA+rechten enkel maar toenemen en het in vraag stellen van queeronderwerpen zal enkel maar toenemen in intensiteit. Enkel door ons te organiseren en strijd te voeren kan er werkelijke vooruitgang behaald worden. Door niet actief te strijden tegen LGBTQIA+fobie zal LGBTQIA+fobie en het dagelijks geweld enkel maar toenemen. De strijd tegen LGBTQIA+fobie moet verbonden worden met de strijd tegen seksisme, racisme en alle strijdbewegingen tegen alle vormen van onderdrukking.