Niet intersectionaliteit, maar een reductionistische interpretatie van klassenstrijd en marxisme helpt extreemrechts

Het debat dat onder linkse activisten ontstond na het optreden van Sophie Straat op de Gentse Feesten gaat al lang niet meer over één concert of één symbolische actie. Het raakt aan een fundamentele discussie die woedt binnen links: hoe bouwen we eenheid op binnen de werkende klasse? Door de verschillende ervaringen van uitbuiting en onderdrukking ernstig te nemen, of door ze ondergeschikt te maken aan wat sommigen beschouwen als de “echte” klassenstrijd?

De reacties op Sophie Straat waren in dat opzicht bijzonder onthullend. Nadat zij sprak over de impact van racisme en patriarchaat op concerten en witte mannen voor één nummer uitnodigde een stap achteruit te zetten zodat vrouwen, queer personen en mensen van kleur vooraan konden staan, volgde voorspelbaar een golf van verontwaardiging. Niet alleen vanuit rechts, maar ook vanuit mensen die zichzelf links of zelfs marxistisch noemen.

Op zich is dat al opmerkelijk. We leven in een periode waarin vrouwenhaat, racisme, transfobie en autoritair nationalisme wereldwijd opnieuw aan kracht winnen. Verkiezingen worden gewonnen met aanvallen op migranten, transpersonen en feministen. Extreemrechts probeert systematisch delen van de werkende klasse tegen elkaar op te zetten en de klassieke partijen volgen in hun kielzog. Je zou verwachten dat links in zo’n context zonder aarzelen partij kiest voor wie het hardst door die aanvallen wordt getroffen.

Maar precies het omgekeerde lijkt te gebeuren. Steeds vaker horen we vanuit delen van links dat vrouwen, mensen van kleur of transpersonen hun ervaringen beter niet te nadrukkelijk zichtbaar maken, omdat zij daarmee extreemrechts in de kaart zouden spelen. Alsof niet de reactionairen verantwoordelijk zijn voor de golf van haat, maar degenen die weigeren de onderdrukking nog langer te verzwijgen.

Dat is een gevaarlijke redenering. Ze ondergraaft de basis van solidariteit en geeft legitimiteit aan extreem-rechtse haatzaaierij. 

De bekende dooddoener

In de discussie over Sophie Straat verscheen vrijwel onmiddellijk de ondertussen bekende verwijzing naar Donald Trump en hoe die aan de macht zou gekomen. Zo lezen we onder meer:

De Amerikaanse Democratische Partij heeft zich jarenlang verloren aan identitaire discussies. Het is één van de hoofdredenen waarom ze de verkiezingen verloren; ze spraken niet langer de taal van de working class, ze ontfermden zich niet langer over alles waar die heel heterogene working class echt van wakker ligt. Ik heb dus een grote allergie overgehouden aan woorden als wit, privilege, safe space…

En ook:

Zoals X (de auteur van het stukje hierboven) terecht schrijft: een belangrijke factor die geholpen heeft om Trump aan de macht te brengen was identity politics, uitgebuit door rechtse demagogen: remember hun impactvolle commercials waarin gesteld werd dat de Democratic Party ‘als vrouw verklede mannen’ toegang wil verlenen tot de toiletten waar de dochters van de VS-kiezers terechtkunnen.

Het is een argument dat steeds opnieuw opduikt. Zodra racisme, seksisme of transfobie aangekaart worden door slachtoffers, volgt vroeg of laat de waarschuwing dat dit de werkende klasse verdeelt en extreemrechts sterker maakt. Voor sommigen lijkt het misschien een aannemelijke redenering. Wie de redenering even ontleedt, merkt dat ze de werkelijkheid volledig op haar kop zet.

Sophie Straat maakte onderdrukking zichtbaar

Om te beginnen vertrekt de kritiek al van een verkeerde voorstelling van wat Sophie Straat deed. Ze bracht geen abstracte theorie over “witte privileges”. Ze gaf geen academisch college over intersectionaliteit. Ze vertrok vanuit concrete ervaringen.

Ze sprak over hoe vrouwen, queer personen en mensen van kleur concerten vaak anders beleven dan witte mannen. Het gaat over seksuele intimidatie, over fysiek geweld en over racistische opmerkingen. Over het voortdurend moeten inschatten of een ruimte veilig is. Over ervaringen die voor veel mensen deel uitmaken van het dagelijkse leven, maar voor anderen grotendeels onzichtbaar blijven.

Daarna nodigde ze witte mannen uit om tijdens één nummer een stap achteruit te zetten. Niet als vernedering. Niet als straf. Maar als een symbolische oefening die de vanzelfsprekende manier waarop ruimte wordt ingenomen even zichtbaar maakte.

Precies daarin schuilt de betekenis van haar actie. Ze probeerde onderdrukking niet alleen te benoemen. Ze probeerde die voelbaar te maken. En net dat bleek voor velen onverdraaglijk.

Niet luisteren, maar ontkennen

Wat vooral opviel in de reacties, was hoe weinig belangstelling er bestond voor de ervaringen waarover Sophie Straat sprak. Vrijwel onmiddellijk verschoof de discussie.

De centrale vraag was niet meer of vrouwen inderdaad vaker met grensoverschrijdend gedrag worden geconfronteerd. Niet of racisme een rol speelt in de manier waarop mensen publieke ruimtes ervaren. Evenmin hoe concerten veiliger kunnen worden voor iedereen. De aandacht ging vrijwel uitsluitend naar de vorm van haar interventie. Ze zou “verdelen”. Ze zou “mensen uitsluiten”. Ze zou aan “identity politics” doen.

Dat mechanisme zien we telkens opnieuw wanneer onderdrukking zichtbaar wordt gemaakt. Zodra vrouwen seksisme benoemen, gaat de discussie plots over de toon waarop ze dat doen. Zodra mensen van kleur racisme aanklagen, verschuift de aandacht naar de vraag of zij de samenleving niet polariseren. Zodra transpersonen opkomen voor hun bestaansrecht, luidt de waarschuwing dat zij extreemrechts electorale munitie geven. De oorspronkelijke ervaring verdwijnt uit beeld. Dat is geen neutrale verschuiving. 

Solidariteit begint met erkenning

Voor een linkse beweging die zich tegen alle vormen van onderdrukking wil verzetten zou dat een vanzelfsprekend uitgangspunt moeten zijn. Solidariteit begint niet met de bewering dat verschillen er niet toe doen. Ze begint met de bereidheid de ervaringen van anderen ernstig te nemen. In plaats van ze te zien als bedreigend zouden we dergelijke oproepen moeten zien als een oproep tot solidariteit.

Wanneer vrouwen vertellen over seksisme, wanneer zwarte mensen spreken over racisme of wanneer transpersonen getuigen over dagelijkse discriminatie, zou de reflex niet moeten zijn hen uit te leggen hoe ze dat beter kunnen doen of in het slechtste geval waarom ze daar beter over zouden zwijgen. De eerste reflex is luisteren.

Want wie de ervaringen van een deel van de werkende klasse niet wil erkennen, kan onmogelijk beweren voor de eenheid van diezelfde klasse te strijden. Wat sommige critici voorstellen, is in werkelijkheid geen eenheid. Het is stilte. Slachtoffers van onderdrukking worden geacht hun ervaringen ondergeschikt te maken aan een vermeend hoger belang: de eenheid van de klasse.

Maar een eenheid die slechts mogelijk is zolang bepaalde mensen zwijgen over hun werkelijkheid, is geen eenheid. Ze is gebaseerd op uitsluiting.

De mythe van de homogene werkende klasse

Veel van de kritiek op Sophie Straat vertrekt impliciet vanuit een bepaald beeld van de werkende klasse. Dat beeld wordt zelden expliciet uitgesproken. Maar het is wel voortdurend aanwezig.

De “gewone werkende” waarvoor men zegt te spreken, blijkt opvallend vaak wit, mannelijk, heteroseksueel en cisgender te zijn. Zijn ervaringen worden voorgesteld als de universele ervaring van de klasse. Wie aandacht vraagt voor racisme, patriarchaat, validisme of queerfobie zou dan afwijken van de “echte” klassenpolitiek en zich bezighouden met “identiteit”.

Maar de werkende klasse is helemaal niet homogeen. Dat is ze nooit geweest. Ze bestaat uit vrouwen en mannen. Uit mensen met en zonder migratieachtergrond. Uit cis- en transpersonen. Uit mensen die naast economische uitbuiting ook met uiteenlopende vormen van onderdrukking worden geconfronteerd.

Wie die werkelijkheid uit de analyse wegfiltert, maakt de klasse niet inclusiever. Integendeel. Die verheft de ervaring van één deel van de werkende klasse, een minderheid, tot norm voor iedereen. En precies daar schuilt de ironie.

De identiteitspolitiek van de zogenaamd identiteitsloze

Het verwijt van “identity politics” is vaak zelf de meest succesvolle vorm van identiteitspolitiek. Het presenteert de ervaring van één deel van de werkende klasse als neutraal, universeel en vanzelfsprekend, terwijl de ervaringen van alle anderen worden voorgesteld als “bijzondere belangen”.

Maar de norm is óók een positie. Ze is alleen historisch zo dominant geworden dat ze zichzelf niet langer als een specifieke ervaring herkent. Wanneer een witte heteroseksuele cisgender werkende spreekt over zijn arbeidsomstandigheden, heet dat klassenpolitiek.

Wanneer een zwarte vrouw spreekt over de combinatie van uitbuiting én racisme én seksisme op haar werk, heet dat plots identiteitspolitiek. Niet omdat haar analyse minder over klasse gaat of omdat ze minder deel uitmaakt van de klasse. Maar omdat zij zichtbaar maakt dat de werkende klasse nooit uit één enkele ervaring heeft bestaan. Intersectioneel marxisme doet daarom niet aan identiteitspolitiek.

Het doorbreekt juist de illusie dat de ervaring van één groep de ervaring van de hele klasse zou zijn. Dat is geen afwijking van de klassenstrijd. Het is een noodzakelijke voorwaarde om haar werkelijk universeel te maken.

Niet Marx, maar het reductionisme

De kritiek op Sophie Straat wordt vaak voorgesteld als een verdediging van het marxisme tegen de zogenaamde “identiteitspolitiek”. Alsof marxisten zich uitsluitend zouden moeten bezighouden met economische uitbuiting en dus met thema’s als lonen en pensioenen en alle verschillende vormen van onderdrukking afleidingen of bijzaken zijn. ‘Wat heeft Sophie Straat te vertellen over de pensioenen’, lazen we in een commentaar. 

Maar precies daar wringt het. Het probleem is niet dat intersectioneel marxisme afstand neemt van Marx of intersectionaliteit tegengesteld is aan een klassenbenaderig. Het probleem is dat een reductionistische lezing van het marxisme zichzelf is gaan voorstellen als de enige orthodoxe interpretatie van het marxisme. De marxistische methode vertrekt nochtans van de concrete analyse van de concrete werkelijkheid. Theorie mag de werkelijkheid niet vereenvoudigen om haar beter in een vooraf bestaand schema te doen passen. Integendeel, theorie moet zich voortdurend laten corrigeren door de werkelijkheid zelf.

Marx analyseerde het kapitalisme nooit als een louter economisch systeem. In Het Kapitaal besteedt hij uitvoerig aandacht aan de manier waarop vrouwen- en kinderarbeid wordt ingezet om lonen te drukken en de winst te verhogen. In zijn analyses van Ierland toont hij hoe nationale onderdrukking bewust werd gebruikt om Engelse en Ierse arbeiders tegen elkaar uit te spelen. En in zijn steun aan de strijd tegen de slavernij in de Verenigde Staten zag hij de emancipatie van tot slaaf gemaakten niet als een afleiding van de klassenstrijd, maar als een voorwaarde voor haar ontwikkeling. 

Zoals elke wetenschappelijke theorie is ook het marxisme geen afgesloten geheel, maar een levende traditie. Marx legde de grondslagen, maar hij pretendeerde nooit de geschiedenis definitief te hebben verklaard. Sindsdien hebben generaties marxisten de theorie verdiept door nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en de ervaringen van sociale strijd ernstig te nemen. De strijd van vrouwen, gekoloniseerde volkeren, geracialiseerde gemeenschappen en LGBTQIA+-personen heeft het marxisme niet verlaten, maar uitgedaagd om zijn eigen methode consequenter toe te passen op een veranderende werkelijkheid.

En hoe ziet die werkelijkheid er vandaag uit? Ze bestaat uit een kapitalistische samenleving waarin economische uitbuiting voortdurend verweven is met racisme, patriarchaat, kolonialisme, queerfobie, transfobie, validisme en andere vormen van onderdrukking.

Kapitaal maakt daarvan gebruik. Niet omdat het kapitalisme die vormen van onderdrukking allemaal heeft uitgevonden, maar omdat ze deze voortdurend reproduceert, aanpast en inzet om de werkende klasse verdeeld te houden, arbeid goedkoper te maken en bestaande machtsverhoudingen te bestendigen.

Wie die werkelijkheid reduceert tot één enkele tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, maakt de analyse niet zuiverder. Hij maakt haar armer. Een marxistische analyse die de concrete werkelijkheid abstraheert tot een schema waarin alleen de economische tegenstelling nog overblijft, houdt op een marxistische analyse te zijn. Ze wordt dogmatiek.

Die reductionistische traditie was echter nooit de enige stem binnen het marxisme, ook al werd ze via het reformisme en stalinisme dominant in wat we vandaag kennen als het ‘marxisme’. Clara Zetkin verzette zich al aan het begin van de twintigste eeuw tegen socialisten en marxisten die de vrouwenstrijd wilden uitstellen tot “na de revolutie”. Zij benadrukte dat een revolutionaire, socialistische politiek onmogelijk kon slagen wanneer de helft van de werkende klasse gevraagd werd haar specifieke onderdrukking voorlopig te negeren.

Hetzelfde gold voor revolutionairen als Alexandra Kollontai, die aantoonde dat de bevrijding van vrouwen niet automatisch zou volgen uit de afschaffing van het kapitalisme, maar een bewuste politieke strijd vereiste. De geschiedenis van het marxisme is dus niet de geschiedenis van één reductionistische traditie. Ze is vooral ook de geschiedenis van marxisten die voortdurend tegen dat reductionisme hebben gevochten.

Dat is geen louter theoretische discussie. Het is een geschiedenis waaruit we lessen moeten trekken. Gedurende grote delen van de twintigste eeuw kregen vrouwenbewegingen te horen dat hun strijd de eenheid van de werkende klasse in gevaar bracht. Antiracistische bewegingen werden verweten de aandacht af te leiden van de “echte” economische strijd. Queer personen moesten wachten tot “na de revolutie”. Alsof bevrijding altijd iets was dat later zou komen. Maar “later” kwam zelden.

Daardoor ontstond een wederzijds wantrouwen dat de revolutionaire linkerzijde enorme schade heeft berokkend. Niet omdat feministen, antiracisten of queerbewegingen de klassenstrijd afwezen. Wel omdat grote delen van links hun ervaringen nooit als een integraal onderdeel van die klassenstrijd wilden erkennen. Wie vandaag beweert dat intersectionaliteit de werkende klasse verdeelt, herhaalt precies die historische vergissing.

Hier is het werk van de Afro-Amerikaanse marxist W.E.B. Du Bois bijzonder relevant. Hij analyseerde waarom witte en zwarte werkenden in de Verenigde Staten er zo moeilijk in slaagden een gezamenlijke beweging op te bouwen. Zijn antwoord was glashelder: niet omdat zwarte werkenden over racisme spraken, maar omdat de heersende klasse witte werkenden een “psychologisch loon” gaf – een symbolisch loon in de vorm van sociale status, privileges en het gevoel boven zwarte arbeiders te staan. Zoals Du Bois schreef: “Men moet niet vergeten dat de blanke arbeiders, hoewel ze een laag loon ontvingen, gedeeltelijk werden gecompenseerd door een soort maatschappelijk en psychologisch loon.” Zolang die kunstmatige hiërarchie bleef bestaan, kon de kapitalistische klasse beide groepen tegen elkaar uitspelen. Voor Du Bois was de strijd tegen racisme daarom geen afleiding van de klassenstrijd, maar een noodzakelijke voorwaarde om de werkende klasse werkelijk te verenigen. Zijn analyse blijft vandaag bijzonder actueel. Niet het benoemen van racisme verdeelt de werkende klasse; het is het racisme zelf dat haar verdeeld houdt.

En wat leert de Verenigde Staten werkelijk?

Dat brengt ons terug bij de verwijzing naar Donald Trump. Alsof zijn verkiezingsoverwinning het ultieme bewijs zou zijn dat links beter zwijgt over racisme, seksisme of transfobie. Die analyse is om verschillende redenen problematisch.

Om te beginnen is de Democratische Partij geen linkse partij. Ze is zelfs geen partij die ooit een consequente klassenpolitiek heeft gevoerd. Decennialang beheerde zij, samen met de Republikeinen, het neoliberale kapitalisme. Ze ondersteunde vrijhandelsakkoorden die industriegebieden ontwricht hebben, gaf meer macht aan grote bedrijven, aanvaardde de financiële logica van Wall Street en bood miljoenen werkende mensen geen fundamenteel alternatief voor groeiende ongelijkheid en bestaansonzekerheid.

Dat is de context waarin Trump kon groeien. Trump won niet vanwege een recente koerswijziging bij de Democraten. Maar als gevolg van een diepgaande teleurstelling van vele decennia in een partij die beweert op te komen voor de werkende klasse maar in de praktijk altijd de kant van de kapitalistische elite kiest. Wie de nederlaag van de Democratische Partij wil begrijpen, moet daar beginnen. Niet bij de vraag of sommige Democratische politici af en toe het woord “privilege” gebruikten. Bovendien is het misleidend om de Democratische Partij voor te stellen als een voorbeeld van intersectionele politiek. Wat zij meestal deed, was een beperkte vorm van liberale representatie combineren met een neoliberaal economisch beleid. Meer vrouwen aan de top. Meer mensen van kleur in leidinggevende functies. Meer symbolische erkenning. Maar zonder de economische machtsstructuren fundamenteel in vraag te stellen. Dat is geen intersectionaliteit. Dat is neoliberaal pluralisme .En precies dat neoliberaal pluralisme heeft uiteindelijk noch economische rechtvaardigheid, noch daadwerkelijke emancipatie gerealiseerd. Integendeel. 

Het is daarom zo schadelijk om dit debat over de Democratische Partij te spreken als in het eerste citaat bij het begin van deze tekst: ‘ze spraken niet langer de taal van de working class, ze ontfermden zich niet langer over alles waar die heel heterogene working class echt van wakker ligt.’ Deze zin creëert de indruk alsof de Democratische Partij ooit een parijt van de heterogene werkende klasse was. Fout. Zonder dit impliciet te zeggen beweert dit citaat dat waar de heterogene werkende klasse echt wakker van ligt enkel sociaal-economische thema’s zijn. Tweemaal fout. 

Een merkwaardige redenering

Zelfs als we de Verenigde Staten als uitgangspunt nemen, blijft de logica van het argument merkwaardig. Republikeinen voeren haatcampagnes tegen transpersonen. Ze verspreiden racistische leugens. Ze organiseren morele paniek. En de conclusie van sommige mensen ter linkerzijde luidt vervolgens dat transpersonen, antiracisten of feministen zich beter minder zichtbaar maken.

Dat is alsof men zou beweren dat antikoloniale bewegingen verantwoordelijk waren voor koloniale repressie. Dat de Palestijnen zelf verantwoordelijk zijn voor de genocide. De verantwoordelijkheid verschuift voortdurend. Niet de reactionairen worden verantwoordelijk gehouden voor hun campagnes. Wel degenen die zich tegen onderdrukking verzetten. Dat is geen klassenanalyse. Dat is victim blaming.

Het is bovendien een strategische capitulatie. Want als links telkens zwijgt zodra extreemrechts een onderwerp probeert te recupereren, dan bepaalt uiteindelijk extreemrechts waarover nog gesproken mag worden. Dat is geen strategie om extreemrechts te verslaan. Dat is een strategie om terrein prijs te geven.

Ze vraagt dat de volledige werkende klasse zichzelf herkent in de zogenaamde gezamenlijke strijd voor bevrijding. Dat kan alleen wanneer ook de ervaringen van de meest gemarginaliseerde en onderdrukte groepen ernstig worden genomen. Niet als bijkomstigheid. Niet als “identiteit”. Maar als een wezenlijk onderdeel van de maatschappelijke werkelijkheid waarin het kapitalisme functioneert.

Een marxisme voor de eenentwintigste eeuw

Daarom verwerpen wij de valse keuze tussen klassenstrijd en de strijd tegen onderdrukking. Wij weigeren te kiezen tussen economische uitbuiting en racisme. Tussen socialisme en feminisme. Tussen antikapitalisme en queerbevrijding. In de werkelijkheid zijn alle vormen van onderdrukking en uitbuiting voortdurend met elkaar verweven.

De werkende klasse kan zichzelf alleen als politieke kracht organiseren wanneer al haar leden zich werkelijk gezien weten. Niet wanneer sommigen worden gevraagd hun ervaringen tijdelijk opzij te schuiven in naam van een abstracte eenheid.

De opdracht van echt links is daarom niet de verschillen binnen de werkende klasse uit te wissen. Ze is juist die verschillen ernstig te nemen, ze politiek te begrijpen en er een gezamenlijke strijd van te maken. Dat is de inzet van een intersectioneel marxisme. Niet een optelsom van identiteiten. Niet een concurrentie tussen vormen van onderdrukking. Maar een poging om de volledige werkelijkheid van de werkende klasse te begrijpen én te veranderen.

De keuze waarvoor links vandaag staat, is daarom niet die tussen “klassiek marxisme” en “intersectionaliteit”. De werkelijke keuze is die tussen een reductionistisch marxisme dat de werkelijkheid vereenvoudigt en een dialectisch marxisme dat haar probeert te begrijpen in al haar complexiteit.

Wie vandaag de strijd tegen racisme, patriarchaat, validisme, queerfobie of transfobie afdoet als “identity politics”, verdedigt geen sterker marxisme. Die verdedigt een verarmde versie van het marxisme die de geschiedenis van de klassenstrijd in de twintigste eeuw al te vaak heeft doen vastlopen. Wij kiezen voor een ander marxisme. Een marxisme dat niet bang is voor de complexiteit van de werkelijkheid. Een marxisme dat niet vertrekt van een eurocentrische, patriarchale en heteronormatieve interpretatie Een marxisme dat begrijpt dat de werkende klasse juist sterk wordt door haar volledige diversiteit te omarmen. Een marxisme dat niet vraagt aan de meest onderdrukten om stiller te zijn. Maar dat samen met hen de wereld wil veranderen.